De rechtbank van eerste aanleg Limburg heeft uitspraak gedaan in de omvangrijke drugszaak 'Costa'. In een vonnis van meer dan 600 bladzijden worden 51 beklaagden — onder wie 4 leiders van criminele organisaties — veroordeeld voor grootschalige invoer van cocaïne via de haven van Antwerpen, deelname aan criminele organisaties, witwassen van vermogensvoordelen en illegaal wapenbezit. Vijf beklaagden werden vrijgesproken, onder wie twee advocaten.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van verschillende criminele organisaties, waarvan sommigen zich bezighielden met de eigenlijke invoer van de cocaïne vanuit verschillende landen in Zuid-Amerika en andere organisaties zich specifiek bezighielden met het uithalen van de cocaïne uit de haven van Antwerpen.
De rechtbank oordeelde dat er bij diverse concrete cocaïneladingen een samenwerking was tussen meerdere van deze organisaties, maar dat dit er niet toe leidde dat de leden van de ene organisatie juridisch gezien gingen behoren tot de andere organisatie.
Diverse ladingen cocaïne werden door de douane of de politie onderschept (een lading van 2.792 kg, een lading van 950 kg, een lading van 676 kg en een lading van 11.497 kg).
Daarnaast zijn er naar het oordeel van de rechtbank nog ladingen cocaïne (in totaal ruim 7.600 kg) die niet onderschept werden maar die door een of meerdere van betrokken organisaties wel zijn ingevoerd en uitgehaald. Het Openbaar Ministerie stelde dat er nog enkele andere invoeren van cocaïne zijn geweest, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet bewezen was. Dit brengt het totaal van de bewezen verklaarde ladingen op meer dan 23 ton.
Verder oordeelde de rechtbank dat de diverse organisaties elk ook allerlei strafbare voorbereidende handelingen hebben gesteld met de bedoeling om in de toekomst nog meer cocaïne in te voeren en uit te halen.
Het witwassen bestond onder meer in de aankoop van onroerende goederen (o.a. in Spanje) en de aankoop van dure luxehorloges, waarbij de geldstromen regelmatig via het buitenland passeerden, onder meer via Dubai.
De rechtbank baseerde zich onder meer op afgeluisterde gesprekken, observaties uitgevoerd door de politie, de onderscheppingen van de ladingen, de resultaten van huiszoekingen en de inhoud van versleutelde communicatie verstuurd via SKY ECC.
De rechtbank oordeelde dat vier beklaagden elk een leider van een organisatie waren. De rol van de overige veroordeelde beklaagden bestond volgens de rechtbank in het ondersteunen van de leiders, het eigenlijke uithalen van de cocaïne, het leveren van vennootschappen die als dekmantel dienden, het transport of het witwassen van vermogensvoordelen.
Een van de veroordeelde beklaagden baatte een onderneming uit die zich bezighield met het regelen van douaneformaliteiten in de haven. Een andere veroordeelde beklaagde was werkzaam in een onderneming die zich bezighield met de behandeling van containers in de haven. Ook diverse vennootschappen werden veroordeeld.
Onder de beklaagden waren ook twee advocaten (een ervan ondertussen gepensioneerd). Het openbaar ministerie stelde dat beide advocaten bewust lid waren geweest van een van de criminele organisaties en dat een van hen ook misbruik had gemaakt van zijn recht om een lopend strafonderzoek in te kijken. De rechtbank oordeelde echter dat geen van dit alles bewezen was. Beide advocaten werden dus volledig vrijgesproken.
Daarnaast werden nog drie andere beklaagden volledig vrijgesproken.
In een strafzaak moet worden geoordeeld binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat die redelijke termijn in dit dossier beperkt was overschreden en heeft daar rekening mee gehouden bij het bepalen van de strafmaten.
De rechtbank benadrukte anderzijds de ernst en de negatieve gevolgen van de invoer van cocaïne. De rechtbank hield ook rekening met de eerdere veroordelingen van heel wat van de beklaagden.
De leiders werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 11 tot 14 jaar en een geldboete van 400.000 euro. De overige beklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 15 maanden tot 9 jaar, waarvan enkele deels met uitstel en tot geldboetes van 12.000 euro tot 140.000 euro, enkele opnieuw deels met uitstel. Twee beklaagden kregen een werkstraf. De vennootschappen kregen elk een geldboete van 400.000 euro.
Tientallen onroerende goederen, voertuigen en honderden andere (luxe)voorwerpen werden verbeurd verklaard, onder meer vastgoed in Spanje en horloges. Daarbovenop werden nog bijkomende bedragen verbeurd verklaard als vermogensvoordeel (bekomen via de ladingen cocaïne die niet zijn onderschept). Voor de leiders werd zo tot 15.000.000 euro per persoon bijkomend verbeurd verklaard, voor andere beklaagden ging het om bedragen tussen de 5.000 euro en 5.000.000 euro. In totaliteit gaat het - bovenop de in beslaggenomen goederen – om nog eens meer dan 60 miljoen euro vermogensvoordeel.
De rechtbank oordeelde hierbij dat het maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn als deze beklaagden in het bezit bleven van deze vermogensvoordelen afkomstig uit grootschalige georganiseerde internationale cocaïnehandel. Criminaliteit – en des te meer zware criminaliteit - mag volgens de rechtbank immers nooit lonend zijn.
Diverse beklaagden hadden argumenten opgeworpen over de geldigheid van de procedure, onder meer over de berichten verstuurd via SKY ECC en over een mogelijke burgerinfiltrant. De rechtbank oordeelde dat geen van de procedurele argumenten een reden was om de strafvordering onontvankelijk te verklaren, om bewijsmateriaal uit te sluiten of om nog verder onderzoek te laten uitvoeren.
Voor enkele beklaagden was de strafvordering eerder al afgesplitst en over hen werd dus geen uitspraak gedaan.
Luc De Cleir
woordvoerder REA Limburg
Luc.DeCleir@just.fgov.be