De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft een beklaagde veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur wegens opzettelijke slagen en verwondingen en het weigeren van hulp aan zijn slachtoffer. Aan de burgerlijke partijen moet hij een totale schadevergoeding van 95.900,23 euro betalen. Er werd een geneesheer-deskundige aangesteld om de lichamelijke schade in hoofde van het slachtoffer verder te omschrijven.
Feiten
In de nacht van 1 januari 2025 zette een man die actief was als BOB-chauffeur enkele vrienden af aan de Zandberg in Gent. Bij het uitstappen werd er een bommetje in de richting van hun auto gegooid. Het kwam tot een discussie en vervolgens twee vechtpartijen met enkele jonge mannen.
De eerste vechtpartij verliep tussen vrienden van de BOB-chauffeur en een vriend van de beklaagde. De tweede vechtpartij ontstond tussen de BOB-chauffeur en de beklaagde, maar vond plaats buiten het gezichtsveld van getuigen en de betrokkenen bij de eerste vechtpartij. De BOB-chauffeur kwam hierbij ten val op een steen, waarbij hij zwaar gewond werd aan zijn achterhoofd en een tijdje buiten bewustzijn was.
Na afloop van beide vechtpartijen reed de BOB-chauffeur – nadat hij weer bij bewustzijn was gekomen en ondanks een wonde aan zijn achterhoofd - verder om andere vrienden te vervoeren. Toen zijn toestand duidelijk verslechterde, werd hij door die vrienden naar de spoeddienst van het AZ Maria Middelares gebracht.
In het ziekenhuis werd de man na een operatie – waarbij vocht uit zijn hersenen werd verwijderd – in een kunstmatige coma gebracht. Hij verkeerde een tijdje in levensgevaar en moest nadien maandenlang revalideren.
Op 2 januari 2025 bood de beklaagde zich aan bij de politie, naar eigen zeggen nadat hij het nieuws zag en besefte hoe ernstig de feiten waren. Volgens zijn versie waren het slachtoffer en hij aan het vechten, toen het slachtoffer met de achterkant van zijn hoofd op een steen belandde. Toen hij zag dat het slachtoffer bewusteloos was, vluchtte hij in paniek weg.
Het slachtoffer kon zich – na het ontwaken uit een 18 dagen durende coma – niet meer herinneren hoe hij de hoofdwonde had opgelopen.
Tenlasteleggingen
Op basis van het opsporingsonderzoek en de verklaringen van alle betrokkenen moest de beklaagde zich verantwoorden voor opzettelijke slagen en verwondingen, met de omstandigheid dat deze hebben geleid tot een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, en het weigeren van hulp aan personen die in groot gevaar verkeerden.
Beoordeling schuldvraag
Het gevecht tussen het slachtoffer en de beklaagde vond plaats buiten het zicht van de andere vechtpartij. Hierdoor kon de rechtbank enkel voortgaan op de verklaringen van de beklaagde zelf en diens vriend waarmee hij kort na de feiten diverse contacten had. Het slachtoffer kon zich niks van de feiten herinneren.
De rechtbank achtte de tenlasteleggingen bewezen, en dit om volgende redenen:
-
De beklaagde verklaarde zelf dat hij het slachtoffer heeft vastgegrepen onder zijn zitvlak en hem omarmde met beide armen. Doordat hij geen visie had, is hij vooruit gelopen tot aan een steegje - perkje. Omdat dit naar beneden liep, verloor hij zijn evenwicht en viel hij met het slachtoffer in zijn armen naar voor. Die viel achterover en kwam hierdoor met zijn achterhoofd pal op een zware steen terecht, met het volle gewicht van de beklaagde er bovenop. De beklaagde hoorde het hoofd van het slachtoffer tegen de steen botsen.
-
Volgens zijn vriend deed de beklaagde aan worstelen. Hij vernam achteraf van de beklaagde dat die het slachtoffer in een bepaalde greep op de grond had proberen krijgen, met een zogenaamde ‘take-down’. Hierdoor is de man met zijn hoofd op een steen terecht gekomen.
-
Er is geen enkele reden waarom de rechtbank zou moeten twijfelen aan de waarachtigheid van de verklaringen van de vriend van de beklaagde, die als eerste het relaas van de beklaagde omtrent de feiten vernam. Nergens blijkt dat hij het uitvoeren van een ‘take-down’ door de beklaagde heeft verzonnen. Hij zou, als een vriend van de beklaagde, hiertoe ook geen enkele reden hebben.
-
De vaststelling dat de beklaagde er niet in slaagde om de ‘take-down’ uit te voeren zonder zelf samen met het slachtoffer ten val te komen, doet geen afbreuk aan het feit dat hij hem wetens en willens vastnam, ophief en op de grond wierp.
-
De beklaagde maakt niet aannemelijk dat hij handelende uit wettige zelfverdediging, of dat het slachtoffer een aanvalsdaad uitvoerde. Van de beweerde slag tegen zijn hoofd bestaat geen enkel bewijs. De politie kon geen letsels vaststellen bij de beklaagde, noch ligt er een medisch attest voor. De uiteenlopende verklaringen van de beklaagde omtrent een eventuele aanvalsdaad van het slachtoffer zijn ook ongeloofwaardig. Hij voerde geen afweerdaad uit, maar ging in tegendeel het gevecht aan door het slachtoffer vast te nemen, op te heffen en weg te werpen.
-
Het was voor de beklaagde onmiddellijk duidelijk dat het slachtoffer in groot gevaar verkeerde. Hij zag dat de man met zijn hoofd op een steen was terecht gekomen, hij hoorde een raar geluid na de val, hij zag de armen slap vallen en het slachtoffer bewusteloos worden. Uit de medische attesten is gebleken dat het slachtoffer op dat moment wel degelijk in groot gevaar verkeerde, en zelfs op een gegeven moment in levensgevaar.
-
De beklaagde is weggelopen zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de toestand van het bewusteloze slachtoffer. In plaats van de hulpdiensten te verwittigen, ging hij verder feesten tot 7 uur in de ochtend. Deze houding is ronduit verwerpelijk.
Strafmaat
De beklaagde werd veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur (of een vervangende gevangenisstraf van zes maanden).
Motivering rechtbank
De rechtbank hield bij het bepalen van de strafmaat onder andere rekening met volgende elementen:
-
De strafdoelstellingen zoals voorzien in het Nieuw Strafwetboek.
-
De ernst van de feiten en de verwerpelijke houding van de beklaagde meteen na de vechtpartij waarvoor geen verschoning bestaat.
- De zeer jonge leeftijd (18 jaar op het ogenblik van de feiten en thans 20 jaar) en het blanco strafverleden van de beklaagde, net als zijn schuldgevoelens, zijn open houding naar de justitie-assistent en het opzoeken van psychologische hulp.
Op burgerlijk gebied
De beklaagde is alleen en uitsluitend aansprakelijk voor de door de burgerlijke partijen geleden schade. Hij is er dan ook toe gehouden deze schade integraal te vergoeden.
Aan het slachtoffer moet hij een provisionele schadevergoeding van 2.500 euro betalen. Er werd een geneesheer-deskundige aangesteld om de rechtbank te adviseren over de opgelopen lichamelijke schade van het slachtoffer.
Aan het ziekenfonds van het slachtoffer moet hij een schadevergoeding van 93.400,23 euro betalen, met name de terugbetaling van de uitgegeven gezondheidszorgen.