De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een omvangrijke strafzaak tegen 46 beklaagden wegens grootschalige cocaïnehandel, lidmaatschap van een criminele organisatie, wapen- en explosievenbezit en aanverwante feiten. De zaak werd behandeld tijdens zittingen van 6 januari tot 17 februari 2026. In totaal legt de rechtbank meer dan 120 jaar aan (bijkomende) gevangenisstraffen op - soms met uitstel, veroordeelt ze tot betaling van 940.800 euro aan boetes en 20 miljoen euro wordt verbeurdverklaard.
Het strafdossier is samengesteld uit zeven gerechtelijke onderzoeken en verschillende opsporingsonderzoeken naar druggerelateerde feiten. Uit de onderzoeken blijkt dat dezelfde protagonisten steeds terugkeerden als leden van een gestructureerde criminele organisatie. De organisatie hield zich gedurende een lange periode bezig met de invoer, het vervoer, de opslag en de verdere handel in verdovende middelen, meer bepaald cocaïne.
Uit de vaststellingen blijkt dat de organisatie verantwoordelijk was voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van in totaal minstens 6.578 kilogram cocaïne, grotendeels via vrachtwagentransporten vanuit het buitenland naar België. De verdovende middelen werden opgeslagen in loodsen en woningen, en vervolgens gedistribueerd via een netwerk van tussenpersonen. Voor de afscherming en beveiliging van hun activiteiten maakten de leden onder meer gebruik van beveiligde communicatietoepassingen (Threema, Signal), alsook van wapens en explosieven.
De organisatie kende een duidelijke hiërarchie: aan de top bevonden zich de leiders (zichzelf “de firma” noemend), waaronder Y.W., Y.V., K.D. en J.W. Daaronder opereerde een middenkader en een reeks uitvoerende leden.
De rechtbank benadrukt de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten. Zij stelt vast dat de feiten plaatsvonden binnen een georganiseerde en professioneel gestructureerde criminele organisatie, gericht op de invoer, het vervoer en de handel in gigantische hoeveelheden verdovende middelen. Dergelijke criminaliteit vormt volgens de rechtbank een ernstig maatschappelijk probleem dat nationale en internationale georganiseerde criminaliteit voedt en aanzienlijke risico's meebrengt voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid.
De rechtbank wijst er met nadruk op dat de drugstrafiek in deze zaak gepaard ging met geweld van uitzonderlijke ernst. Meerdere beklaagden maakten zich schuldig aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarnaast werden veelvuldig vuurwapens en explosieven waaronder handgranaten aangewend, opgeslagen of voorhanden gehouden. De rechtbank kwalificeert deze geweldscomponent als bijzonder verzwarend.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten wees de rechtbank de verzoeken van meerdere beklaagden tot het verlenen van de gunst van de opschorting, een werkstraf of een autonome probatiestraf uitdrukkelijk af. Dergelijke maatregelen zouden beklaagden onvoldoende bewust maken van het ontoelaatbare karakter van hun gedrag en een onvoldoende sterk maatschappelijk signaal geven.
Bij de individuele straftoemeting hield de rechtbank rekening met de specifieke rol van eenieder, het strafrechtelijk verleden, de ernst en de omvang van de bewezen feiten en het al dan niet aanwezig zijn van een geweldscomponent. Gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging werd toegekend aan beklaagden met een beperkter aandeel, een gunstig strafrechtelijk verleden of een persoonlijke situatie die re-integratie redelijkerwijs doet verhopen. Aan alle veroordeelden werden ook geldboetes opgelegd, waarvan de omvang in verhouding staat tot het lucratieve karakter van de feiten en het beoogde financieel gewin.
Ten aanzien van de hoofdbeklaagden oordeelde de rechtbank dat eerdere veroordelingen hen er niet van hebben weerhouden hun criminele activiteiten voort te zetten. De rechtbank stelt in het bijzonder vast dat Y.W. zijn leidinggevende rol binnen de organisatie vervulde terwijl hij zich reeds in detentie bevond, wat de rechtbank omschrijft als een blijk van volstrekt gebrek aan respect voor de rechtsorde en een aanzienlijke maatschappelijke gevaarlijkheid. Bijkomende straffen werden dan ook noodzakelijk geacht, zowel ter markering van de ernst van de feiten als ter bescherming van de maatschappij.
Leiders van de criminele organisatie
• Y.W. (1e beklaagde): de tenlasteleggingen betreffende invoer, vervoer, handel en bezit van minstens 6.578 kg cocaïne, en leiderschap van de criminele organisatie zijn bewezen. Met toepassing van artikel 65 lid 2 van het Strafwetboek werd een bijkomende gevangenisstraf van 5 jaar opgelegd (in aanvulling op eerdere veroordelingen van 10 jaar bij vonnis van 24 februari 2023 en 5 jaar bij arrest van 7 juni 2024). Bijkomend werd een verbeurdverklaring bevolen van 10.000.000 euro.
• Y.V. (2e beklaagde): de tenlasteleggingen betreffende drugsfeiten, wapen- en explosievenbezit, leiderschap van de criminele organisatie zijn bewezen. Bijkomende gevangenisstraf van 5 jaar (naast een eerdere straf van 17 jaar bij arrest van 31 januari 2025). Bijkomend werd een verbeurdverklaring bevolen van 4.000.000 euro.
• K.D. (3e beklaagde): bijkomende gevangenisstraf van 2 jaar (naast een eerdere straf van 13 jaar bij vonnis van 16 juni 2025). Bijkomend werd een verbeurdverklaring bevolen van 5.000.000 euro.
• J.W. (4e beklaagde): geen bijkomende straf opgelegd, gelet op reeds eerder uitgesproken straffen (van 17 en 5 jaar). Bijkomend werd een verbeurdverklaring bevolen van 750.000 euro.
De 42 overige beklaagden (5e tot en met 46e) werden veroordeeld voor hun respectieve aandeel in de drugshandel, het lidmaatschap van de criminele organisatie, wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of de wapen- en explosievenfeiten. De opgelegde gevangenisstraffen variëren naargelang de rol en de ernst van de individuele betrokkenheid.
De zwaarste gevangenisstraffen in dit deel van het vonnis betreffen W.B. (5 jaar), D.R.D. (5 jaar) en A.F. (4 jaar, waarvan 3 jaar effectief). D.R., die betrokken was met een opslagplaats voor vuurwapens en explosieven ten behoeve van de organisatie, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met gedeeltelijk uitstel.
Meerdere beklaagden die betrokken waren bij de logistiek van de drugstransporten ontvingen straffen tussen 30 maanden en 3 jaar, veelal met gedeeltelijk uitstel uitgezonderd de reeds ondergane voorhechtenis. De minst zware straffen, tussen 6 maanden en 2 jaar, werden opgelegd aan beklaagden met een eerder beperkte of perifere rol. Twee beklaagden werden voor één tenlastelegging vrijgesproken; de overige hen ten laste gelegde feiten werden wel bewezen verklaard. Naast de gevangenisstraffen werden aan alle veroordeelde beklaagden geldboetes opgelegd en werden er verbeurdverklaringen uitgesproken ten bedrage van 20 miljoen euro.