17/03/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag vijf beklaagden veroordeeld voor onder meer feiten van witwassen en fiscale fraude. De centrale figuur, een man uit Tienen, zette witwasconstructies op en faciliteerde deze via de aankoop van onroerend goed in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten). Samen met een andere beklaagde, ‘beklaagde 2’, maakte hij deel uit van een strafbare vereniging. 

Feiten en achtergrond

Vijf beklaagden moesten zich, al dan niet in wisselende samenstelling, voor de correctionele rechtbank verantwoorden voor feiten van poging tot witwassen en witwassen (tenlasteleggingen A en B), valsheid in geschriften (tenlasteleggingen D en E), valsheid in de jaarrekeningen (tenlastelegging C), fiscale fraude en fiscale valsheid (tenlasteleggingen F, G en H), oplichting (tenlastelegging I) en lidmaatschap van een strafbare vereniging (tenlastelegging J).

Centrale figuur in de zaak is ‘beklaagde 1’, een man uit Tienen. Hij moest zich samen met ‘beklaagde 2’ (eveneens uit Tienen) verantwoorden voor lidmaatschap van een strafbare vereniging. ‘Beklaagde 3’ is de vader van ‘beklaagde 1’. Tot slot stond ook ‘beklaagde 4’ terecht voor feiten van fiscale fraude in het kader van zijn besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Deze vennootschap is in deze zaak ‘beklaagde 5’.

Het strafdossier startte met politionele informatie waaruit zou blijken dat ‘beklaagde 1’, zich ophield “in een criminogeen drugsmilieu”, een “flamboyante levensstijl” voerde, “een vermogensopbouw realiseerde in de Verenigde Arabische Emiraten” en “een aantal vermeende witwasfaciliteiten aan derden aanbood”. Deze elementen worden vermeld in het aanvankelijke proces-verbaal van 6 januari 2017.

In een eerste fase van het strafonderzoek werd via bankbevragingen, telefonieonderzoek en afluistermaatregelen (telefoontaps) getracht een beeld te vormen van de activiteiten en levenswandel van ‘beklaagde 1’, evenals van de feiten waarvan hij werd verdacht. Daarnaast werd beslist een infiltratiemaatregel toe te passen door de inzet van een undercoveragent. Deze infiltratie leidde uiteindelijk tot de tussenkomst van de politie op 11 oktober 2019. Op dat moment werden ‘beklaagde 1’ en ‘beklaagde 2’ bij het verlaten van een appartement in Tienen opgepakt, in het bezit van een laptoptas met daarin 150.000 euro aan contanten, die hen kort daarvoor door een undercoveragent was overhandigd. Diezelfde dag werden ook ‘beklaagde 4’ en de vriendin van ‘beklaagde 1’ van hun vrijheid beroofd.

In een tweede fase van het strafonderzoek werden verschillende huiszoekingen uitgevoerd en verhoren afgenomen van inverdenkinggestelde personen en getuigen. Daarnaast werden de gsm‑toestellen en laptops van de betrokkenen uitgelezen en onderzocht, werd bijkomend bankonderzoek verricht en werd navraag gedaan bij de fiscale administratie en bij de kantoren Rechtszekerheid van de FOD Financiën. Voorts werden de boekhouding en facturatie van ondernemingen, waarbij de inverdenkinggestelde personen betrokken waren, doorgelicht. Tot slot werd nog een bijkomende afluistermaatregel (telefoontap) uitgevoerd.


Oordeel rechtbank
  • ‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 2’ zijn beiden schuldig aan poging tot witwassen (tenlastelegging A). Op 11 oktober 2019 namen ze 150.000 euro in ontvangst, in de veronderstelling dat het om zwart geld ging, met de bedoeling het te investeren in onroerend goed in de Verenigde Arabische Emiraten. 
    De rechtbank acht ook bewezen dat ‘beklaagde 1’ zich schuldig maakte aan feiten van witwassen (tenlastelegging B). In de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 augustus 2017 stortte hij een hoeveelheid cash geld van minstens 331.288,57 euro op bankrekeningen waarvan hijzelf titularis of mandataris was. Voor deze stortingen kan ‘beklaagde 1’ geen aannemelijke verklaring geven, zodat het voor de rechtbank duidelijk is dat elke legale herkomst van deze gelden uitgesloten kan worden. Dit bedrag van 331.288,57 euro wordt verbeurd verklaard ten aanzien van ‘beklaagde 1’.
     
  • ‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 3’ zijn schuldig aan valsheid in geschriften:
    • ‘Beklaagde 1’ liet een valse factuur opstellen voor een bedrag van 44.650 euro tussen twee vennootschappen waarover hij zelf de zeggenschap had. Op die manier wilde hij gelden illegaal naar zichzelf doorsluizen (tenlastelegging D).
    • ‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 3’ lieten voor twee vennootschappen (waaronder 'beklaagde 5' als besloten vennootschap) drie verschillende aandelenregisters opstellen, zodat ze de eigendomsverhoudingen van de aandelen kon voorstellen op een manier die op dat moment het best uitkwam (tenlastelegging E).
       
  • ‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 4’ worden veroordeeld voor fiscale inbreuken:
    • Het opstellen en gebruiken van valse facturen om de betaalde zwarte lonen fiscaal als kost in te brengen (tenlastelegging F: fiscale valsheid). 

    • Het gebruik van valse facturen om de betaalde zwarte lonen in te brengen in de vennootschapsbelasting van ‘beklaagde 5’ (een besloten vennootschap van ‘beklaagde 4’) (tenlastelegging G: fraude op de inkomstenbelasting)
    • Het niet inboeken van creditnota’s aan leveranciers, waardoor ten onrechte een bedrag van 48.779,07 euro aan btw kon worden gerecupereerd door ‘beklaagde 5’ (een besloten vennootschap). Dat het niet om een vergetelheid maar om een opzettelijk nalaten ging, blijkt onder meer uit enkele afgeluisterde gesprekken tussen ‘beklaagde 1’ en ‘beklaagde 4’, en tussen ‘beklaagde 1’ en zijn vriendin (tenlastelegging H: fraude op de BTW). 
      Het bedrag van 48.779,07 euro wordt verbeurd verklaard ten aanzien van ‘beklaagde 5’ (een besloten vennootschap). 
       
  • ‘Beklaagde 1’ en ‘beklaagde 2’ maken volgens de rechtbank ook deel uit van een strafbare vereniging (tenlastelegging J) . De rechtbank verwijst hiervoor naar het feit dat beide beklaagden tussen 1 september 2019 en 11 oktober 2019 witwasconstructies gebruiken, aanbieden en faciliteren via de aankoop van onroerend goed in de Verenigde Arabische Emiraten. 
     
  • De rechtbank spreekt de beklaagden vrij voor de tenlasteleggingen C (valsheid in jaarrekeningen) en I (oplichting). 

     
Beoordeling per beklaagde

‘Beklaagde 1’ speelde een centrale rol bij de gepleegde feiten. Hij beschikt wel nog over een blanco strafblad.

De rol van ‘beklaagde 2’ is minder prominent dan die van ‘beklaagde 1’, maar mag niet worden geminimaliseerd. Ook hij heeft nog een relatief gunstig strafblad. Samen met ‘beklaagde 1’ wordt hij veroordeeld voor lidmaatschap aan een strafbare vereniging. 

Het aandeel van ‘beklaagde 3’ in de feiten is eerder beperkt. Ook hij beschikt over een blanco strafblad.

Het aandeel van ‘beklaagde 4’ blijft beperkt tot fiscale fraude gepleegd in het kader van zijn besloten vennootschap (tevens ‘beklaagde 5’). In tegenstelling tot de andere beklaagden heeft ‘beklaagde 4’ wel een beladen strafblad, met eerdere veroordelingen voor diefstal, valsheid in geschriften en witwassen. 

 

Uitspraak rechtbank

‘Beklaagde 1’

'Beklaagde 1' is schuldig aan de feiten A, B, D, E, F, G, H en J. Hij krijgt hiervoor een gevangenisstraf van 15 maanden. Voor het deel van de straf dat de ondergane voorlopige hechtenis overschrijdt, wordt een uitstel verleend gedurende een proeftijd van 3 jaar.

'Beklaagde 1' moet ook een geldboete betalen van 10.000 euro. 

Een bedrag van 331.288,57 euro ten aanzien van hem wordt ook verbeurd verklaard.

‘Beklaagde 2’

'Beklaagde 2' is schuldig aan de feiten A en J. 

Hij krijgt hiervoor een gevangenisstraf van 12 maanden. Voor het deel van de straf dat de ondergane voorlopige hechtenis overschrijdt, wordt een uitstel verleend gedurende een proeftijd van 3 jaar.

'Beklaagde 2' moet ook een geldboete betalen van 8.000 euro. 

‘Beklaagde 3’

'Beklaagde 3' is schuldig aan de tenlastelegging E. 

Hij krijgt hiervoor de gunst van de opschorting van uitspraak gedurende een proeftijd van 3 jaar.

‘Beklaagde 4’

'Beklaagde 4' is schuldig aan de feiten F, G en H. 

'Beklaagde 4' krijgt hiervoor een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel gedurende een proeftijd van 3 jaar. 

Hij moet ook een geldboete betalen 2.400 euro. 

‘Beklaagde 5’ (besloten vennootschap van ‘beklaagde 4’)

'Beklaagde 5' is schuldig aan de feiten G en H. 

'Beklaagde 5' moet hiervoor een geldboete betalen van 16.000 euro, waarvan de helft met uitstel gedurende een proeftijd van 3 jaar. 

Een bedrag van 48.779,07 euro ten aanzien van 'beklaagde 5' wordt ook verbeurd verklaard.

 

Motivering van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat voor alle beklaagden de redelijke termijn in strafzaken is overschreden. Die overschrijding leidt echter niet tot het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering.

De bewezen feiten van witwassen en fiscale fraude zijn ernstig en tonen een duidelijk gebrek aan normbesef.

Witwasconstructies maken het voor criminelen mogelijk om opbrengsten uit misdrijven in het reguliere economische circuit te brengen. Daardoor worden zware vormen van criminaliteit, zoals drughandel, fraude en corruptie, in stand gehouden. Bovendien verstoren witwaspraktijken de normale werking van de economie, omdat illegaal verkregen inkomsten de markt beïnvloeden en het vertrouwen in financiële instellingen ondermijnen.

Ook fiscale fraude schaadt de samenleving. Ze onttrekt belastinginkomsten aan de overheid die anders in het algemeen belang ingezet had kunnen worden. Daarnaast creëert fiscale fraude een oneerlijk concurrentievoordeel ten opzichte van ondernemers die de regels naleven, wat zowel de economie als het vertrouwen in het belastingstelsel ondermijnt.