26/05/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag 10 beklaagden veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de handel in cocaïne en cannabis. Deze activiteiten vonden plaats tussen 1 april 2023 tot en met 18 september 2024 in de omgeving van Tienen, Hoegaarden en Boutersem. De zwaarste straffen zijn voor ‘beklaagde 1’ en ‘beklaagde 3’. Volgens de rechtbank hadden ze de leiding over een professioneel georganiseerde organisatie, die diverse technieken gebruikte om onder de radar te blijven.  

Feiten

Het gerechtelijk onderzoek werd opgestart op 14 februari 2024 op basis van politionele informatie waaruit bleek dat een Albanese man uit het Verenigd Koninkrijk ('beklaagde 1') zich in de regio Tienen bezighield met de handel in cocaïne. 

Naar aanleiding van deze informatie werd een uitgebreider onderzoek gevoerd. Dit onderzoek bracht meerdere oproepnummers en zogenaamde drugsbestellijnen aan het licht. Observaties en mastgegevens bevestigden bovendien dat 'beklaagde 1', samen met zijn partner ('beklaagde 2'), verbleef in een woning van 'beklaagde 4' te Hoegaarden, zonder daar officieel ingeschreven te zijn. Deze locatie fungeerde als hun operationele uitvalsbasis. 

Op 18 september 2024 vonden gelijktijdig huiszoekingen plaats op verschillende adressen, onder meer te Hoegaarden, Tienen en Boutersem. Tijdens deze huiszoekingen werden onder meer aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en cannabis, grote geldsommen, communicatiemiddelen en materialen voor verpakking en distributie in beslag genomen, net als voertuigen die voor de drugshandel werden gebruikt. Bij een huiszoeking in een handelspand te Tienen werden onder meer twee pakketten geld, verpakt in plastiek, aangetroffen voor een totaalbedrag van 40.050 euro. 

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank was er sprake van een goed gestructureerd samenwerkingsverband, gericht op de georganiseerde en grootschalige handel in cocaïne en cannabis. Deze activiteiten vonden plaats tussen 1 april 2023 tot en met 18 september 2024 in de omgeving van Tienen, Hoegaarden en Boutersem. 

De organisatie opereerde professioneel en gebruikte diverse methoden om hun activiteiten te faciliteren en onder de radar te blijven, waaronder:

  • het gebruik van meerdere gsm‑toestellen met simkaarten van uiteenlopende nationaliteiten, vaak op naam van derden;
  • communicatie via digitale platforms zoals WhatsApp Business en Signal voor het opzetten en beheren van drugsbestellijnen;
  • het gebruik van bankrekeningen, voertuigen en verblijfadressen op naam van derden. 

Binnen deze organisatie vervulde 'beklaagde 1' een leidinggevende rol. De overige betrokkenen dienden aan hem verantwoording af te leggen. 'Beklaagde 1' beheerde meerdere drugsbestellijnen en gaf aansturing aan verschillende loopjongens die instonden voor de levering van verdovende middelen. 

'Beklaagde 1' coördineerde de activiteiten vanuit zijn verblijfplaats in Hoegaarden, die eigendom was van 'beklaagde 4'. Hij woonde er samen met zijn echtgenote ('beklaagde 2'), al waren ze er niet officieel ingeschreven. Ook hadden ze geen voertuig dat op hun naam was ingeschreven, maar maakten ze gebruik van de voertuigen van onder meer 'beklaagde 4' en 'beklaagde 5'. Voor de betaling van de drugs werd onder meer gebruik gemaakt van de bankrekening van 'beklaagde 4'.

Na verloop van tijd werd 'beklaagde 1' operationeel minder actief en droeg hij leidinggevende taken over aan 'beklaagde 3'. Niettemin bleef het verblijfsadres in Hoegaarden een centrale rol spelen.

Volgens de rechtbank werden de feiten duidelijk gepleegd met het oog op winstbejag. Het is dan ook onaanvaardbaar dat de beklaagden de illegale opbrengsten van de misdrijven zouden behouden of hieruit nog enig financieel voordeel zouden halen. Daarom beslist de rechtbank tot de verbeurdverklaring van de verkregen vermogensvoordelen, ten belope van in totaal 128.433,02 euro.
 

Beoordeling per beklaagde 

De rechtbank veroordeelt in totaal tien beklaagden:

  • ‘Beklaagde 1’ krijgt de zwaarste straffen. Hij wordt veroordeeld voor het bezit en de handel in cocaïne en cannabis. ‘Beklaagde 1’ vervulde daarbij volgens de rechtbank een leidende rol binnen een criminele organisatie. 
    Bijkomend is 'beklaagde 1' schuldig aan een poging tot witwassen voor een bedrag van 40.050 euro. Deze gelden werden aangetroffen bij een huiszoeking in een handelszaak te Tienen. 'Beklaagde 1' verklaarde in zijn verhoor dat deze gelden uitsluitend zijn eigendom waren. Ze zouden deels afkomstig zijn uit de handel in verdovende middelen, een ander deel zou volgens 'beklaagde 1'' afkomstig zijn van de verkoop van gronden in Albanië. Noch 'beklaagde 1', noch zijn echtgenote ('beklaagde 2') beschikten over enige legale inkomsten. De bewering dat (een deel van) het aangetroffen geld afkomstig zou zijn van de verkoop van gronden in Albanië wordt bovendien op geen enkele wijze aangetoond. De rechtbank acht ‘beklaagde 1’ daarom schuldig aan 'poging tot witwassen'. 

    Beklaagde 1’ werd reeds in 2016 in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar wegens drugsfeiten. De rechtbank stelt vast dat ‘beklaagde 1’ uit deze langdurige gevangenisstraf slechts weinig lessen heeft getrokken. Meer nog: ditmaal handelde hij vanuit een leidinggevende rol binnen een georganiseerde structuur.

    De rechtbank legt 'beklaagde 1' een effectieve gevangenisstraf op van vijf jaar, samen met een geldboete van 20.000 euro. Daarnaast wordt tegenover hem de verbeurdverklaring uitgesproken van een totaalbedrag van 64.216,51 euro (40.050 euro + 24.166,51 euro).

    De rechtbank beveelt, na beraad, de onmiddellijke aanhouding voor 'beklaagde 1'.

     

  • 'Beklaagde 2' wordt veroordeeld voor het bezit en de handel in cocaïne en cannabis. De rechtbank acht het evenwel niet bewezen dat ze binnen deze vereniging ook een leidinggevende rol vervulde. Ze beschikt nog over een blanco strafblad. 

    Zij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. De rechtbank verleent daarbij, gedurende een proeftijd van drie jaar, uitstel van tenuitvoerlegging voor het deel van de straf dat de duur van haar voorlopige hechtenis overschrijdt. Daarnaast krijgt zij een effectieve geldboete van 8.000 euro. Ten slotte spreekt de rechtbank ten aanzien van haar de verbeurdverklaring uit van een bedrag van 12.843,30 euro.

     

  • 'Beklaagde 3' wordt schuldig verklaard aan het bezit en de handel in cocaïne en cannabis, waarbij hij een leidende rol speelde binnen een criminele organisatie. De rechtbank legt hem hiervoor een effectieve gevangenisstraf van 40 maanden op en een geldboete van 16.000 euro. Ook spreekt de rechtbank ten aanzien van hem een verbeurdverklaring uit van een bedrag van 25.686,61 euro. 

    ‘Beklaagde 3’ werd in het Verenigd Koninkrijk eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 112 maanden wegens drugsfeiten. Meer nog: 'beklaagde 3' verklaarde dat hij 'beklaagde 1' er had leren kennen, toen zij er beiden een gevangenisstraf uitzaten wegens de handel in verdovende middelen.
    De rechtbank stelt vast dat hij, net als ‘beklaagde 1’, uit deze gevangenisstraf in het Verenigd Koninkrijk weinig lessen heeft getrokken.

    De rechtbank beveelt, na beraad, de onmiddellijke aanhouding van ‘beklaagde 3’. 

     

  • Nog zeven andere beklaagden werden veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de handel in cocaïne en cannabis. Zij vervulden binnen de organisatie vooral een ondersteunende en uitvoerende rol, bijvoorbeeld voor de levering van de verdovende middelen. 
    Voor deze feiten krijgen zij elk een geldboete van 8.000 euro. Daarnaast worden de zeven beklaagden correctioneel gestraft, met straffen gaande van een werkstraf van 180 uur tot een effectieve gevangenisstraf van 20 maanden.  

     

  • 'Beklaagde 12' en zijn voormalige handelszaak ('beklaagde 11') worden vrijgesproken voor een poging tot witwassen van twee pakketten cash geld, met een gezamenlijk bedrag van 40.050 euro, die tijdens de huiszoeking van 18 september 2024 werden aangetroffen in een kluis op het adres van de handelszaak. Uit het strafdossier is gebleken dat de overdracht van de aandelen van de handelszaak reeds plaatsvond op 31 juli 2024. Op diezelfde datum werden tevens de sleutels van het pand overhandigd aan 'beklaagde 1' en 'beklaagde 4', waardoor 'beklaagde 12' vanaf dat ogenblik geen toegang meer had tot de handelszaak. 'Beklaagde 1' verklaarde bovendien in zijn verhoor door de politie dat de aangetroffen gelden uitsluitend zijn eigendom waren.
    Het is volgens de rechtbank dan ook niet aangetoond dat 'beklaagde 12' en zijn handelszaak kennis hadden van het bestaan ervan, laat staan van hun oorsprong of bestemming.